Geen mirre en geen goud. Geschreven door Hans Mouthaan.

Goudriaan is een echt Alblasserwaards dorp.

Huizen en hoeven liggen langs het slingerende riviertje.

Vooraan de oude kerk. Daarachter de dubbele lintbebouwing in het uitgestrekte polderland. De jaargetijden geven in elk seizoen aan deze omgeving extra schoonheid. Was het daarom dat Melchior Busschaert, na het doven van de grote wereldbrand ,in 1918 op Goudriaan was gebleven?

Er waren talrijke Belgische gezinnen bij het uitbreken van de eerste wereldoorlog in de Waard neergestreken. Maar toen bij het intreden van de wapenstilstand het leven in hun geboorteland normaliseerde, waren ze ook weer teruggekeerd. Melchior niet.

Hij huurde er sinds zijn komst de opkamer in het voorhuis van Hannes den Hartog op de Noordzijde.

Er waren maar weinig mensen op de hoogte van de oorzaak waarom Mels de Bels ( zoals ze hem op Goudriaan waren gaan noemen) was gebleven. Hij leefde tamelijk op zichzelf en was kunstschilder van professie. Dat laatste was al een bijzonderheid. De Goudrianers waren een ijverig volkje. Kerks en werks, als overal in de Waard. En dat was nou iets wat aan deze man ontbrak. Men fluisterde dat hij wel rooms zou zijn en dat was bijna net zo erg als heidens. En dan werks….iemand die de dag doorbracht met het verven van landschappen! Ze waren hier gewend te denken aan de opbrengst van melk en kaas, vee en landerijen.

Hannes den Hartog, die er wel van wist, liet de mensen in Goudriaan denken wat ze wilden.

Toen de Duitsers in 1914 bij hun opmars door België Antwerpen bombardeerden, was ook het huis van Melchior getroffen. Zijn vrouw en twee jongens kwamen daarbij om . Hijzelf had het leven er afgebracht. Gewond naar lichaam en geest was hij onder het puin van zijn huis vandaan gehaald. Rood was de hemel boven de stad toen hij in een lange stoet vluchtelingen stad en vaderland verliet, op weg naar het neutrale Holland. Onuitwisbaar bleef dat beeld in zijn geheugen gegrift. Regelmatig ging Melchior naar Arkel waar hij zijn doeken probeerde te verkopen.

Op de terugweg ging hij altijd aan bij herberg “De Maat”. Het was bij zo’n gelegenheid dat de man uit België bijzonder in zichzelf gekeerd was. Nol, de kastelein, wist ook niet beter dan er het zwijgen toe te doen.  Maar hij zag wel dat er veel in de kunstschilder omging. Na de laatste slok bier zette Melchior zijn pul met een klap neer. Toen keek hij de man achter de bar uitdagend aan en zei: “Awel, gij tapper, hoe haat ik dat gezeur aan mijne kop! Ik zij een vrije vogel en ik pint naar dat het mij voor den geest komt. Maar nou heeft die Gorkumse kunstkramer mij mooi opgezadeld met een opdracht van een nonnenklooster uit het Brabantse! Of ik een schilderstuk voor hunne refter wilde maken over de aanbidding van de Wijzen uit het oosten…” Hier zweeg Mels even. Nol, hoewel niet snel om woorden verlegen, wist niet wat hij moest zeggen. Het was ook niet nodig want Mels vervolgde: “Nimmer had ik me meer in willen laten met die hele santenkraam van de kerk. Ik heb Antwerpen zien branden. Ik heb tot God geroepen…geschreeuwd…Tevergeefs. Mijne jongens en hunne moeder stierven onder het puin. Nu moet ik schilderen. Ik móét, want ik heb de laatste tijd weinig doeken kunnen verkopen en ik moet Hannes den Hartog toch huurpenningen betalen”.

“Mels” zei Nol “et is zo, dan we allemaal wel is wat motte doen daer we gien trek in hebbe. Man, schilder voor die nonne dat schilderij. Strijk je geld op en daer mee uit!”.

>Kwam Melchior gewoonlijk al bijna het huis niet uit, dat najaar zag men hem nergens. Vanuit zijn kerkelijke traditie hield Mels het aantal oosterse geleerden dat in Bethlehem het Christuskind kwam aanbidden op drie. Hij was opgevoed met de kennis van hun namen: Melchior, Balthasar en Caspar. Hij wist van de gaven, goud, wierook en mirre, die zij de Koning der Joden aanboden.

Hij groepeerde hen in hun vorstelijke gewaden om het Kind dat hen met verwonderde ogen aankeek vanaf de schoot van Zijn moeder. Achter hun rug was de open poort naar de straat. Lange tijd bleef dat gedeelte onbeschilderd. Slechts langzaam en met grote tussenpozen vulde de schilder deze opening. Zo traditioneel als de voorstelling van de koningen en het Kind was, zo ongebruikelijk waren de beelden die zich op de weg van Bethlehem naar Jeruzalem afspeelden. Met ongemene felheid bracht Mels die aan. Direct achter de opening vielen in het licht van de ster de schaduwen van de rijdieren der oosterse Wijzen. Maar verder, tegen de achtergrond van een brandende stad, waarvan de toren van de Onze Lieve Vrouwe Kerk van Antwerpen en de tempel van Herodus duidelijk herkenbaar waren, vluchten talloze mensen de weg naar Bethlehem op.

>Het was half november toen het schilderij klaar was. Mels zou de Nieuwpoortse bode bericht doen om hem met het doek naar Gorkum te rijden. v/d Hoven had de nonnetjes beloofd dat ze hun opdracht voor Kerstmis tegemoet konden zien. Het leek wel of de kunstenaar zich leeg geschilderd had. Zo vurig als het doek geworden was, zo uitgeblust was Mels. Het liep al tegen december toen hij op een morgen zijn woning verliet voor een fikse wandeling. De pittige winterlucht deed hem goed. Toen hij in zijn huis terug kwam was de middag al ver gevorderd. De schemering was ingevallen. Hij maakte het fornuis aan en een behaaglijke warmte doorstroomde hem. In het schemerduister van de late middag legde Melchior zijn hoofd op zijn armen op de tafel en weldra sliep hij in. Hoewel Mels het schilderij niet zag, was hij er zo mee bezig geweest dat het hem in zijn dromen verschrikte. Groot en dreigend stonden de brandende gebouwen van Antwerpen en Jeruzalem op de achtergrond van het huis in Bethlehem, waar de Wijzen hun gaven en eerbied aan het Christuskind boden. Daarvoor, tussen de talloze vluchtelingen, voelde Mels, liep hijzelf. Voortdurend op de vlucht voor de dreiging van het vuur. Hij zag de open poort van het huis in Bethlehem voor zich. De Wijzen knielden neer en boden geschenken aan. Hij kon niet naar binnen. Zijn voeten waren loodzwaar, hij had het Kind niets te bieden, geen goud, geen wierook, geen mirre. Intussen was het vuur zo dichtbij dat de vlammen van de brandende stad om hem heen sloegen. In zijn oren klonk het hulpgeroep van de vluchtende mensen. Toen schreeuwde hij zijn angst uit en van het geluid van zijn eigen stem schrok hij wakker. Verschrikt keek hij om zich heen. Zijn kamertje was fel verlicht door het schijnsel van een groot vuur.

De vuurgloed kwam van buiten! Door het raam staarde Melchior verschrikt in de vlammenzee! In een flits begreep hij:

de hofstee van Teunis Terlouw staat in brand!

Hij greep zijn jas en rende naar buiten. Ook de mannen van de brandwacht waren met hun handspuitje op de plaats van het onheil aangekomen. Ze stelden wanhopige pogingen in het werk om met hun gebrekkige middelen de vlammen te bedwingen. Op dat moment kwam Teunis Terlouw met een paar mannen uit het brandende huis. Ze sleepten een grote kast met zich mee. De boer keek om zich heen en miste opeens Jacob, z’n oudste jongen.

“Jacob..” schreeuwde Teunis. “Jacob…”.  Toen deed hij wanhopig enkele passen naar voren. Maar intussen had het vuur ook het voorhuis bereikt. Toen stormde een man naar voren. In het licht van het vuur zagen de Goudrianers het gebeuren. Hij hield zijn breedgerande flaphoed voor zijn mond en baard, en rende het brandende huis binnen. Het duurde minuten, het leken uren. Toen kwam Mels terug. Zijn hoed en baard hadden vlam gevat. Hij hapte naar adem, maar…hij sleepte wat mee. Een jongenslichaam, slap, door de rook bevangen. Eenmaal buiten het bereik van het vuur liet hij los en met een kreet van pijn sprong hij in het water van de winterkoude Goudriaan.

Toen burgemeester de Slijper de andere dag kwam kijken naar de gevolgen van de brand ging hij ook naar Hannes den Hartog. Daar begreep hij dat Melchior op bed lag als gevolg van zijn optreden van de vorige avond. Jannigje van Hannes was ’s morgens al wezen kijken en had Mels koortsig aangetroffen. Samen met Jannigje ging de burgemeester bij Mels kijken. Het zweet parelde Mels op het voorhoofd en zijn handen gingen onrustig over de dekens. “Vrouw den Hartog” zei de burgemeester “ik zal de dokter uit Noordeloos laten komen. “

Trouw verzorgden Jannigje en Hannes de zieke Mels. “Vannacht verwacht ik een crisis” had de dokter gezegd. Jannigje had geknikt. Ze begreep dat het vannacht er op of er onder zou gaan. De zieke was niet bij kennis. Als hij sprak was het wartaal. Stil zat ze bij zijn bed. Als ze het kamertje inkeek bleven haar ogen rusten op het schilderij. Terwijl ze de prachtige kleuren bewonderde schrok ze op. Er werd op de deur geklopt. Wie? Met een lantaarn in de hand kwam ds. Alders binnen. “Maar dominee” begon Jannigje “zo laat nog… “  “Ja, vrouw den Hartog, ik wilde voor de nacht de zieke nog opzoeken..” Voorzichtig liep hij naar het bed. Samen luisterden ze naar de gebroken klanken die de zieke voortbracht. Soms vingen ze er wat van op. Het ging steeds over vluchten en brand, en dan zei hij plotseling: “Ik kan er niet bij…ik heb niets…niets, om het Kind te geven…” Het licht van de petroleumlamp bescheen het voltooide schilderij. Het viel glanzend op de prachtige kleuren van het doek. Het deed de geschenken van Melchior, Caspar en Balthasar: goud, wierook en mirre schitteren.  Voor dominee Alders huiswaarts ging, bad hij voor dit schaap dat van zijn kudde niet was en droeg het op aan het Kind dat geen geschenk nodig had. Die nacht bracht een hevige crisis. Uitgeput viel Mels tenslotte in slaap. Het was het begin van genezing.

Het was al laat in de middag op de dag voor Kerstmis toen op de scheerwinkel van Siem van Sane verteld werd dat Mels den Bels al gauw naar Antwerpen terug zou keren.  Het speet Siem bar dat Hannes den Hartog die dag al vroeg door hem geholpen was. Anders had hij eens voorzichtig kunnen informeren. Het was maar goed dat hij niet zag hoe ds. Alders op de middag van de 2de kerstdag naar Hannes den Hartog toog. Teunis Terlouw en zijn gezin waren daar ook. Allemaal gingen ze naar het kamertje van Melchior. Jannigje had chocolademelk gemaakt. De kinderen wezen naar het grote schilderij van de Wijzen uit het oosten. Ds. Alders keek ook nog eens. Toen zag hij wat nog niemand gezien had: Mels had nog iets aan het doek toegevoegd. Het moest gebeurd zijn na de nacht waarin hij in zijn koortsdromen had geroepen: “ik kan er niet bij, ik heb niets…”

In de schaduw van de eerste wijze stond nog een man. Hij heette ook Melchior maar was kunstschilder. Hij stond met lege handen, en zijn hele wezen was gericht op het Middelpunt van het schilderstuk.

Samen dronken ze warme chocolademelk en aten van het krentenbrood, terwijl ze luisterden naar Melchiors plannen om terug te keren naar Antwerpen. “Het is goed Busschaert” zei ds. Alders tenslotte “het Kind op het schilderij heeft, toen Het groot geworden was, gezegd: De vossen hebben een hol en de vogels een nest, maar voor Mij is er geen plaats”. Daarom is er voor ons plaats in Goudriaan maar ook in Antwerpen.

Voor ze naar huis gingen zongen de kinderen Kerstversjes. En toen zette één van hen in: Vaste rots van mijn behoud..” Moeder Jaantje wou nog zeggen “dat is helemaal geen Kerstversje ”maar ds. Alders zong al mee:

Zie ik breng voor mijn behoud

U geen wierook, mirr’ of goud

Moede kom ik, arm en naakt

Tot de God, Die zalig maak